|
Woensdag 11 juni jl. arriveerden Henny van Wijk, Ria van Wijk, Erik Mulder en Richard den Dunnen uit Stiens na een maand in Wit-Rusland te zijn geweest weer in Nederland. Gedurende deze maand hebben zij werkzaamheden verricht in een sanatorium in Garadok, nabij Minsk.
Het was een periode van uitersten. Alles was tot in de puntjes voorbereid. Er lag een gedegen draaiboek, de noodzakelijke hulpgoederen waren in februari al afgezonden en stonden in het sanatorium te wachten en alle lichten stonden, zo leek het, in Wit-Rusland ook op groen. Helaas liep het vanaf het eerste moment al anders en moesten de 4 Stiensers veel improvisatietalent aan de dag leggen. Zo bleek onder andere bij aankomst van de Stiensers al een deel van de lading hulpgoederen te zijn verdeeld en overgebracht naar andere instellingen. Op zich geen ramp en veel goederen waren daar ook voor bestemd, maar het was mooier geweest wanneer de Stiensers één en ander zelf hadden kunnen verdelen dan waren de goederen direct op de juiste plaats terecht gekomen. Onder andere hierdoor moest in de eerste dagen veel energie gezet worden op het inventariseren van alles en het terugbrengen van goederen naar de plaats waar het gebruikt moest gaan worden. En dat is in Wit-Rusland gemakkelijker gezegd dan gedaan, want in veel gevallen moet dan een hele administratieve procedure in gang gezet worden alvorens je ook maar iets kunt verplaatsen.
Een ander aspect dat een beroep deed op het improvisatietalent was dat voor het sanatorium én voor Children in Trouble het de eerste keer was dat er een groep buitenlanders naar een sanatorium kwam en zich plotseling met de kinderen en de spullen op het terrein ging bemoeien. Een belangrijk deel van de staf van het sanatorium had hier moeite mee en stelde daarom alles in werking om zo weinig mogelijk mee te werken en het liefst zo veel mogelijk tegen te werken. Zij deden het immers toch al die jaren goed? Waarom moesten er dan nu mensen van buiten bij komen? En ook nog voor zo lang? Omdat de eindverantwoordelijke van het sanatorium zelf niet aanwezig was en er eigenlijk niemand was die buiten haar om wat durfde te beslissen, dreigde het hele project al na 5 dagen in een status quo terecht te komen. Een stevig gesprek volgde en daarna kwam de hele zaak los.
De volgende dag en de dagen daarop werden oude gebrekkige sportbenodigdheden zoals voetbalgoals en basketbalpalen verwijderd en maakten plaats voor nieuwe, degelijke goals, korfbalpalen en –manden, badmintonpalen en –netten, trampoline en schommels. Delen van het programma van de Stiensers werd ingepast in het “sanatoriumritme” en zo kon iedereen toch, zij het met vallen en opstaan, zijn/haar ideeën aan de dag leggen en uitvoeren. Toch bleef het wennen voor iedereen. De keuken van het sanatorium deed geen enkele moeite om het verblijf van de Stiensers te veraangenamen, tegelijk probeerde de hoofddokter van het oncologische gedeelte van het sanatorium dit gebrek goed te maken door regelmatig voor een lekkere koffie-/theetafel te zorgen of zelfs een avondje “sjaslieken” of een uitje naar Minsk te (laten) verzorgen.
De kinderen in het sanatorium hebben echter niets van dit alles meegekregen. Voor hen was het bijna logisch dat er iedere dag volop geknutseld kon worden met Henny en Ria. Kralenkettingen maken, T-shirts beschilderen, fotolijstjes maken, sieradendoosjes beschilderen en beplakken. Er was bijna geen “nee” te koop. Iedere dag weer vroegen de kinderen of de “master klas”, want zo heette de betreffende ruimte, weer openging en konden dan niet wachten om los te gaan. Buiten werd het vertier voor hen compleet gemaakt door een ware voetbalcompetetie, hockeyen, tennissen, badmintonnen, een kampvuur met marsh mellows en gewoon lekker even praten met de “Ghollanders”. Veel kinderen van de andere onderdelen van het sanatorium zochten de oncologische unit op, want “daar gebeurde het”. Daar was vaak wat te beleven en te doen.
Het onvermijdelijke afscheid was dan ook voor iedereen niet eenvoudig. Om dit wat “dragelijk” te maken, hadden de Stiensers voor de laatste avond pizza’s en cola en fanta laten aanrukken. Een waar festijn volgde, want dit was een traktatie waar bijna alle kinderen, letterlijk, alleen nog maar hadden gedroomd. Het afscheid was emotioneel en soms niet eenvoudig. Van sommige kinderen wisten de Stiensers dat zij een zeer duistere toekomst tegemoet gingen omdat zij ziek waren en niet meer beter konden worden of omdat zij geen ouders meer hadden en óf zichzelf moesten redden óf weer terug moesten naar hun kindertehuis. Acht kinderen die zeer diep getroffen waren door hun ziekte en/of hun omstandigheden kregen van de Stiensers ieder een tas met allerhande benodigdheden mee. Als klein lichtpuntje, als hand in de rug.
De ogen van de kinderen vol dankbaarheid voor alles wat voor hen gedaan is, soms een enkel woordje “spasieba”, soms in het engels “thank you”, soms een knuffel of gewoon een dansje, dat is hetgeen de Stiensers vooral heeft doen doorzetten in de soms moeilijke omstandigheden in het sanatorium. Ze waren gegaan voor de kinderen, zijn vooral tegen de volwassenen aangelopen, maar hebben vooral de liefde en dankbaarheid bij de kinderen gezien en van hen teruggekregen en voor hen waren zij er.
Tijdens de straattekeningen wedstrijd schreef één onderdeel van het sanatorium de volgende woorden in de tekening: while there are children, there is hope, CHILDREN FOREVER. En daar sluiten wij ons graag bij aan! U kunt alle belevenissen nog eens nalezen op http://belarusstage.waarbenjij.nu
|